In Nederland wonen bijna 12.000 mensen in een sociale huurwoning terwijl zij ook een koopwoning bezitten. In veel gevallen gaat het om een huis dat wordt verhuurd, terwijl de eigenaar zelf goedkoop huurt. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het Centraal Planbureau. Volgens de onderzoekers is het tijd om opnieuw te kijken naar de regels voor sociale huur. Vooral strengere eisen rondom inkomen en bezit liggen op tafel.
Sociale huurwoningen zijn bedoeld voor mensen die zelf geen betaalbare woning kunnen vinden. Toch blijkt een kleine groep huurders meerdere woningen te bezitten. Dat roept vragen op over eerlijkheid en toezicht. De woningnood is groot en wachtlijsten zijn lang. Juist daarom zorgt deze groep voor veel discussie.
Kleine groep met opvallend veel bezit
Uit het onderzoek van het Centraal Planbureau blijkt dat ongeveer een half procent van alle corporatiehuurders vastgoed bezit. In absolute aantallen gaat het om bijna 12.000 mensen. Dat lijkt weinig, maar de impact is groter dan het aantal doet vermoeden.
Binnen deze groep zijn er bijna 2.000 huurders die meer dan één koopwoning hebben. Sommigen bezitten zelfs een flinke vastgoedportefeuille. Meer dan dertig sociale huurders hebben minimaal tien koopwoningen op hun naam staan. Dat staat haaks op het idee achter sociale huur.
De meeste van deze woningen worden verhuurd of gebruikt als tweede huis. Daarmee verdienen huurders geld, terwijl zij zelf tegen een lage huurprijs wonen. Dat voelt voor veel mensen wrang, zeker voor woningzoekenden die al jaren wachten.
Niet altijd een bewuste keuze
Het CPB benadrukt dat niet iedere huurder met vastgoed misbruik maakt van het systeem. Bij ongeveer één op de zes gevallen gaat het om bijzondere situaties. Denk aan een erfenis of gedeeld eigendom na een scheiding.
Soms is iemand mede-eigenaar van een woning waar een ex-partner nog woont. In zulke gevallen kan de huurder niet vrij beschikken over de woning. Volgens het CPB is er dan geen duidelijke strijd met de doelstelling van woningcorporaties.
Deze situaties vragen om maatwerk. Het bezit van vastgoed zegt dan niet automatisch iets over de financiële ruimte of woonmogelijkheden van de huurder. Toch blijft ook hier de vraag hoe hiermee om te gaan.
Anonieme data, duidelijke patronen
De onderzoekers hebben gewerkt met geanonimiseerde gegevens. Ze weten dus niet om welke personen het precies gaat. Wel zien ze duidelijke patronen in de data. Zo wonen deze huurders relatief vaak in betere buurten van steden als Amsterdam, Haarlem en Den Haag.
Ook valt op dat het inkomen van deze groep vaak hoger ligt. Meer dan de helft verdient boven de inkomensgrens voor sociale huur. Die grens ligt momenteel rond de 57.000 euro voor gezinnen.
Die inkomensgrens wordt alleen getoetst bij de start van de huur. Stijgt het inkomen later, dan hoeft de huurder niet te verhuizen. Dat maakt het mogelijk om jarenlang goedkoop te blijven wonen, ook bij een hoger inkomen.
Gebrek aan toezicht en duidelijke regels
Het onderzoek roept vragen op over toezicht. Woningcorporaties hebben de taak om mensen te huisvesten die dat zelf niet kunnen. Als huurders daarnaast woningen verhuren of als tweede huis bezitten, lijkt dat doel niet meer passend.
Voor nieuwe huurders gelden vaak strenge regels. Zij mogen geen koopwoning bezitten die zij zelf kunnen bewonen. Voor zittende huurders bestaan zulke regels meestal niet. Dat maakt controle lastig.
Corporaties mogen huurcontracten niet zomaar aanpassen. Daardoor ontstaat een grijs gebied. Mensen kunnen tijdens hun huurperiode vastgoed kopen zonder gevolgen voor hun huurcontract.
Rechtszaak als keerpunt
De discussie kwam echt op gang na een rechtszaak die werd aangespannen door Ymere. Deze woningcorporatie stapte vorig jaar naar de rechter tegen een huurder met twee koopwoningen.
Volgens Ymere was het niet eerlijk dat deze huurder goedkoop woonde en tegelijk geld verdiende met verhuur. De corporatie vond dat dit indruiste tegen haar maatschappelijke taak.
De rechter gaf Ymere gelijk. Het belang van het oplossen van de woningnood woog zwaarder dan het belang van de huurder. De wettelijke plicht van de corporatie kreeg voorrang.
Breder probleem dan gedacht
Tijdens de rechtszaak gaf Ymere al aan dat het probleem waarschijnlijk groter was. Nu blijkt dat er in heel Nederland zeker 12.000 vergelijkbare gevallen zijn. Dat maakt duidelijk dat het geen incident is.
Het CPB ziet hierin aanleiding voor een bredere discussie. Niet alleen over bezit, maar ook over inkomen. Wat doe je met huishoudens die na verloop van tijd niet meer tot de doelgroep behoren.
Volgens de onderzoekers is het logisch om niet alleen bij de start te toetsen. Ook later zou gekeken moeten worden of iemand nog recht heeft op een sociale huurwoning.
Discussie over nieuwe voorwaarden
Het CPB stelt voor om na te denken over nieuwe voorwaarden in huurcontracten. Bijvoorbeeld een bepaling die het bezit van een koopwoning verbiedt. Dat zou relatief eenvoudig te controleren zijn.

Zo’n maatregel kan helpen om sociale huurwoningen beter te verdelen. Mensen die zelf kunnen voorzien in huisvesting, maken dan plaats voor wie dat niet kan.
Tegelijk roept dit vragen op over rechtszekerheid. Wat doe je met mensen die al jaren huren en pas later vermogen hebben opgebouwd. Moeten zij verplicht verhuizen.
Balans tussen rechtvaardigheid en zekerheid
De discussie raakt aan gevoelige punten. Sociale huur moet eerlijk zijn, maar ook voorspelbaar. Huurders moeten weten waar ze aan toe zijn. Tegelijk vraagt de woningnood om scherpe keuzes.
Het CPB benadrukt dat het niet pleit voor directe uitzetting. Wel voor een gesprek over grenzen. Wanneer hoort iemand nog bij de doelgroep en wanneer niet meer.
De komende tijd zal duidelijk worden of politiek en corporaties deze discussie oppakken. Eén ding is duidelijk. De schaarste op de woningmarkt maakt dit onderwerp urgenter dan ooit.
Bron: RTL Nieuws




