Nooit had ik gedacht dat ik mijn geloof, of beter gezegd het gebrek daaraan, als een obstakel zou ervaren bij het kopen van een huis. Toch stonden Marck en ik daar, in de woonkamer van wat ons droomhuis had moeten worden, met de makelaar die ons met een indringende blik aankeek. Zijn vraag kwam uit het niets:
“Zijn jullie gelovig? En zo ja, bij welk kerkgenootschap zijn jullie aangesloten?” Ik had er niet direct een antwoord op. Niet omdat ik twijfelde, maar omdat ik het totaal niet had zien aankomen. Ik keek naar Marck, die zijn wenkbrauwen optrok en kort lachte. “Nee, we zijn niet gelovig,” antwoordde hij luchtig.
De sfeer in de kamer veranderde direct. De makelaar, tot dat moment vriendelijk en behulpzaam, leunde iets naar voren en zuchtte hoorbaar. “Dan zou ik er nog eens goed over nadenken,” zei hij.
De ongeschreven regels
We stonden perplex. Wat bedoelde hij? Dit was toch gewoon een huis zoals ieder ander? Ja, de achtertuin grensde aan de kerk, maar wat maakte dat uit? We vroegen hem om uitleg, en wat hij vervolgens zei, had ik niet kunnen bedenken.
“Hier in het dorp houden we vast aan tradities,” begon hij voorzichtig. “Op zondag is het rustdag. Mensen hier nemen het niet in dank af als je dan de was buiten hangt of in je bikini in de tuin ligt.”
Ik keek hem ongelovig aan. Was dit een grap? Maar hij ging serieus verder. “Waarschijnlijk zal de pastoor vroeg of laat bij je voor de deur staan om je de ‘gedragsregels’ uit te leggen.”
Marck en ik wisselden een blik uit. Dit kon toch niet waar zijn? We waren op slag wakker geschud uit onze droom. Tot dat moment zagen we dit huis als de perfecte plek om ons samen te settelen. Maar ineens voelde het alsof we een exclusieve club probeerden binnen te komen zonder de juiste lidmaatschapskaart.
Een droom die uit elkaar spatte
We hebben die dag de rest van het huis nog bekeken, maar eerlijk gezegd was onze blik veranderd. De ruime keuken, de grote ramen, de prachtige tuin – het voelde allemaal niet meer zo uitnodigend als eerst. De gedachte dat we zouden moeten leven naar de ongeschreven regels van de buren, was onverteerbaar.
Een paar dagen later hakte ik de knoop door. Hoe verliefd ik ook was op het huis, ik kon niet ergens wonen waar ik mijn was niet eens vrij kon ophangen. We besloten geen bod uit te brengen en verder te zoeken.
Uiteindelijk vonden we een ander huis, in een dorp waar niemand zich bemoeide met onze zondagse bezigheden. Toch blijft het een wrang idee dat een plek die ons thuis had kunnen worden, werd uitgesloten door iets waar we nooit eerder over hadden nagedacht. Misschien is het naïef, maar ik had nooit gedacht dat ‘gelovig zijn’ een vereiste kon zijn om ergens welkom te zijn.